Inloggen
Login met InkopersCafé account Account aanmaken

Premium logo's

Premium logo's

Premium partners

Sidebar premium

Sidebar premium

Gold partners

Sidebar gold

Sidebar gold

Silver partners

Sidebar silver

Sidebar silver
22
05
17
Theo van der Linden
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Door Theo van der Linden
Dossier: Column
Soort:

Aanbesteden als vorm van gratis consultancy

In de Nederlandse taal worden fouten soms zo gebruikelijk dat zij op een gegeven moment als correct geaccepteerd worden. Zo was in vroeger dagen ‘eier’ het meervoud van het woord ‘ei’. Omdat men dat niet meer als een meervoud voelde werd het uiteindelijk ‘eieren’. Hetzelfde gebeurde met kind en kinderen. Op dit moment voltrekt zich een vergelijkbaar proces met het woord ‘beseffen’. Beseffen wordt alleen nog maar gebruikt met een wederkerend voornaamwoord (me, ons, zich) terwijl dat nergens op slaat: ‘Ik besef me dat BVP de redding van het aanbesteden is’ is fout. Het moet zijn ‘ik besef dat BVP de redding van het aanbesteden is’. Toch strijden de taalpuristen voor een verloren zaak. In zijn interview met Wilfried de Jong zei zelfs onze koning twee keer ‘Ik besef me’. Dit lijkt me een goed moment om het officieel correct Nederlands te maken.

In het aanbesteden zie je ook dat fouten soms zo gewoon worden dat niemand er meer over nadenkt. Op dit moment zie je dat aan de verheerlijking van het aanbesteden op kwaliteit, wat we vroeger EMVI noemden. Ik denk dan niet alleen aan de heiligverklaring van de expert bij BVP, maar ook aan het enorme belang dat aan de K gehecht wordt bij aanbesteden op beste prijs kwaliteit verhouding (BPKV) (toeval, maar bijna dezelfde letters). Natuurlijk is het slim om de deskundigheid van ondernemers te gebruiken, maar schiet dat momenteel niet veel te ver door?

Wat ik nergens lees is de ongewenste ontwikkeling dat bedrijven in hun inschrijving vaak al heel veel inhoudelijke informatie moeten geven, zonder dat hun ‘auteursrecht’ op enigerlei wijze beschermd wordt. Ik zal een voorbeeld geven: De gemeente Rotterdam heeft een openbare Europese aanbestedingsprocedure georganiseerd met betrekking tot het op afroep en naar behoefte treffen van maatregelen ter voorkoming of vermindering van milieuschade in de openbare ruimte. Inschrijvers moeten op drie verschillende casus aangeven hoe zij het desbetreffende (dreigende) milieuprobleem zouden oplossen. Voor elke casus kunnen maximaal 10 punten behaald worden.

In de stukken staat:
“Het Plan van aanpak, per Casus, dient in één document te worden ingediend en mag maximaal uit 10 pagina’s, met lettertype Arial 10 punten, bestaan. Eventuele bijlagen zijn vormvrij (tabellen, voorbeeldoffertes, 2D, 3D tekeningen, foto’s, praktijkvoorbeelden, begeleiding met (audiovisuele) animaties, certificaten, enz. enz.).”
Ik vind dit meer gratis consultancy dan aanbesteden. Stel dat er zes inschrijvers zijn dan kan de gemeente een geweldig draaiboek voor die drie casus maken met de beste elementen van alle inschrijvers.

Ook bij een aanbesteding voor warme dranken van de gemeente Amsterdam gebeurde iets opmerkelijks. De plafondprijs van de aanbesteding bedroeg € 2.700.000,00 per jaar. Inschrijvers dienden de volgende documenten op te stellen: de prestatieonderbouwing, het risicodossier, het kansendossier en een implementatieplanning. Daarna worden er twee interviews gehouden met sleutelfunctionarissen van de inschrijvers. Laten we het voor het gemak ‘aanbesteden met het best value gedachtengoed’ noemen.

Wat blijkt? De winnaar heeft ingeschreven met een prijs van € 1.650.600,00. In de rechtszaak die volgt, is wat gesteggel over of dat een abnormaal lage inschrijving is, maar daar gaat het mij hier niet om. Wat mij stoort is dat bij BVP-aanbestedingen de aanbestedende dienst ongeacht de uitkomst van de aanbesteding, de beschikking heeft over de inbreng van alle inschrijvers. Wie garandeert dat niet in de loop van het contract die twee leuke kansen van nummer twee toch nog uitgevoerd worden. En het risico dat de als eerste geëindigde niet opschreef, maar de nummer twee wel, wordt echt wel meegenomen bij de uitvoering. Kortom, er wordt van alle inschrijvers verwacht dat zij hun beste ideeën prijsgeven, terwijl daar alleen voor de winnaar van de aanbesteding iets tegenover staat. En zeker als de winnaar (al dan niet abnormaal) laag heeft ingeschreven is dat erg bitter voor de verliezers.

Sowieso zie ik steeds krankzinniger kwaliteitsvragen in aanbestedingen. In de klucht over de deurwaardersdiensten voor het Centraal Justitieel Incasso Bureau was pas weer een rechtszaak (ik ben de tel een beetje kwijtgeraakt). Aan de orde was of aanbesteden met een vaste prijs en gunning op uitsluitend kwaliteitselementen toegestaan was. Dat is natuurlijk zo, maar is deze opdracht wel geschikt voor kwaliteitscriteria?

In de aanbestedingsstukken las ik:
“Vragen die aan de orde bij de kwaliteitsbeoordeling zijn o.a.:

  • Welke persoonsgerichte handelingen u in welke volgorde verricht (bijvoorbeeld bezoek
    aan huis, schriftelijke communicatie op passend taalniveau, sms-diensten),
  • Welke technieken of competenties u hierbij inzet (bijvoorbeeld nudging, motiverende gespreksvoering),
  • Welke maatwerkproducten u aan Debiteuren kunt bieden (bijvoorbeeld diverse betalingsregelingen),
  • In welke gevallen c.q. voor welke doelgroep(en) deze maatwerkproducten effectief zijn en
  • Hoe u omgaat met onvoorziene omstandigheden bij de Debiteur (dit kan tot uiting komen als een Debiteur niet voldoet aan de voorwaarden van een met u overeengekomen betalingsregeling, bijvoorbeeld door één of meerdere termijnen niet te betalen omdat de Debiteur een onverwacht grote uitgave moet doen).”

Ik weet niet hoe het u vergaat als u dit leest, maar ik heb zo mijn bedenkingen. Aangezien mijn echtgenote nogal slordig is met het betalen van de postorderbedrijven waar zij met enige regelmaat zinloze zaken bestelt, heb ik nogal eens met incassobureaus te maken. Daar vind je zeer correcte bedrijven onder die je keurig te woord staan, waarmee je afspraken kunt maken en die op een beschaafde manier contact met je zoeken, en er zitten ploerten tussen die je twee sms-jes per dag sturen, die alleen maar opgefokte dreigende juridische taal hanteren, die aan de telefoon een soort zwakbegaafde, onbeschofte holbewoners inzetten, en die lak hebben aan normale omgangsvormen. Nu is het denkbaar, ik ben geen expert, dat de tweede groep succesvoller is dan de eerste. Toch kan ik me indenken dat de staat (CJIB) een beschaafde en respectvolle benadering zal prefereren. Of juist niet? En hoe ga je dat als inschrijver verwoorden? Een goed deurwaarderskantoor zal per geval inschatten wanneer er ‘strenger’ opgetreden moet worden. Dat valt echter niet op papier te zetten!

Een vraag als ‘welke maatwerkproducten kunt u aan debiteuren bieden?’ is ridicuul. Maatwerk is per definitie individueel. En wat dacht je van deze: ‘hoe gaat u om met onvoorziene omstandigheden bij de debiteur?’ Is de betekenis van het woord ‘onvoorzien’ bekend bij de aanbestedende dienst? Als je je er iets bij kunt voorstellen is het toch al niet meer onvoorzien? Hoeveel punten zou je krijgen voor het antwoord dat je er altijd twee zware jongens op af stuurt?

Ik besef me dat ik op eier loop maar ik wil het hier toch nog maar eens kwijt: soms is aanbesteden op laagste prijs zo gek nog niet.

Theo van der Linden
Door Theo van der Linden
Theo van der Linden is een van de meest gevraagde, zoniet de meest gevraagde, spreker over Europees aanbesteden in Nederland. De afgelopen jaren gaf hij meer dan 1000 trainingen, voordrachten en lezingen over aanbesteden bij zowel aanbestedende diensten als bedrijven. Hij is de samensteller van de bundel 'Aanbestedingsjurisprudentie in de praktijk' waarin hij commentaar geeft op ca 300 rechtszaken. Meer informatie over hem en zijn bedrijf VdLC vindt u op www.aanbesteding.nl

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.