Magnifying glass Close

Een moeilijke discussie

Een aantal van de lezers weet wel dat ik regelmatig actief ben op social media. En dan vooral op Twitter en LinkedIn. Soms plaats ik daar berichten die erg veel reacties krijgen. De meest interessante berichten zijn de berichten waarop lezers veel reageren, maar ook nog eens erg verdeeld zijn in hun reacties. Een deel is het dan hartgrondig eens met de inhoud van mijn bericht. Een ander deel is het erg oneens.

Onlangs plaatste ik weer zo’n bericht op LinkedIn. Ik stelde daarin dat in een aanbesteding het concurrentiemechanisme altijd het laatste woord heeft. En dat daarom andere belangen dan ‘gezonde concurrentie’ (wat dat ook is) een ondergeschikte rol spelen. Ook als er begrijpelijke politieke en/of maatschappelijke argumenten zijn om direct zaken te doen met een ondernemer, dan kan dat niet. De Aanbestedingswet schrijft namelijk vrijwel altijd voor dat overheden het concurrentiemechanisme moeten gebruiken. Mijn conclusie is dat het te ver doorvoeren van het concurrentiemechanisme, wat door de Aanbestedingswet op een aantal thema’s gebeurt, leidt tot uitholling van publieke waarde.

Veel bijval.

Maar ook veel kritiek.

Daarbij viel mij op dat de kritiek mij óf een vals dilemma voor de voeten wierp of niet inging op het punt dat ik probeerde te maken.

De redenering achter het vals dilemma is als volgt. De Aanbestedingswet schrijft concurrentie voor. Daarmee voorkomen wij favoritisme en willekeur bij overheden (lees: bij bestuurders en politici). Als je dus stelt dat de concurrentie die de Aanbestedingswet voorschrijft publieke waarde uitholt, dan (let op) heb je dus liever dat bestuurders en politici hun gang kunnen gaan. Dat ze in achterkamertjes maar wat kunnen beslissen. En familieleden vette opdrachten kunnen toeschuiven. In deze redenering is het dus óf concurrentie óf corruptie.

Er zijn echter meer smaken. Daarom is ook sprake van een vals dilemma. Zoals ik al eerder heb geschreven kent de Nederlandse overheid een integriteitsbeleid. Daarnaast zijn er vrij sterkt ontwikkelde beginselen van behoorlijk bestuur. Feitelijk gezien hebben wij nog een prima werkende democratische controle en een onafhankelijke pers. Al het voorgaande maakt dat, ook zonder concurrentie en een Aanbestedingswet, bestuurders en politici niet zomaar in achterkamertjes wat kunnen beslissen. Juridische en feitelijke controlemechanismen te over! Het is dus niet óf concurrentie óf corruptie.

Daarnaast leidt verplichte concurrentie ook helemaal niet tot het uitbannen van favoritisme en willekeur. Wij kunnen zomaar wat staten noemen meer zuidelijker en oostelijker in de Europese Unie. Daar is soms zelfs sprake van verplicht aanbesteden met concurrentie bij veel lagere nationale drempelwaarden dan hier. En tóch is de corruptie daar veel sterker dan hier. Met andere woorden, favoritisme en willekeur komen óók voor als je wel verplichte concurrentie toepast. Het is dus, nogmaals, niet óf concurrentie óf corruptie.

Naast het vals dilemma, gingen een aantal lezers niet in op mijn punt. Die stelden dat je prima publieke waarde kunt creëren met concurrentie en de Aanbestedingswet. Dat er zelfs een verplichting bestaat tot het creëren van maatschappelijke waarde in de Aanbestedingswet. En dat het vooral gaat om hoe je de regels toepast en dat overheden dit steeds niet goed doen. Een roep om nog meer agenda’s en nog meer ‘professionaliteit’.

Waarom gaat dit niet in op het punt dat ik probeer te maken? Ik stel niet dat je met concurrentie en de Aanbestedingswet niet ook publieke waarde (of: maatschappelijke waarde) kan creëren. Voor de goede orde: ik denk dat je bij verschillende thema’s, afhankelijk van (politieke en maatschappelijke) context prima met aanbesteden op concurrentie tot maatschappelijke waarde kunt komen. Mijn punt is dat het te ver doorvoeren van dit idee, dat het dus vrijwel altijd kan, een misvatting is. Door concurrentie als uitgangspunt te nemen in al je inkoop, maak je van alle andere mogelijkheden die wellicht meer maatschappelijke waarde opleveren een uitzondering.

Op dit moment hoeven overheden daarom niet uit te leggen waarom zij concurrentie toepassen, omdat het een hoofdregel is. Pas als zij wat anders willen doen dan concurrentie toepassen, moeten zij dat uitleggen. Wij komen dan in bijvoorbeeld vreemde situaties waarbij overheden door de Aanbestedingswet initiatieven van burgers(!) overnemen om deze aan te besteden. Weg initiatief van de burger. Het maakt mij daarbij niet uit dat overheden procedures op een bepaalde manier wel of niet kunnen inrichten. Het gaat mij om het principe: dit klopt in dit geval gewoon niet.

Ik ben dus niet tegen aanbesteden en concurrentie. Ik ben tegen het ondoordacht inzetten van aanbesteden en concurrentie. Dat doet meer schade dan goed. Of zie ik wat over het hoofd?

Partner van Aanbestedingscafé
Partner van Aanbestedingscafé

Reacties

Partner van Aanbestedingscafé
Sluiten

Inloggen met

of met e-mailadres