Inloggen
Login met InkopersCafé account Account aanmaken

Premium logo's

Premium logo's

Premium partners

Sidebar premium

Sidebar premium

Gold partners

Sidebar gold

Sidebar gold

Silver partners

Sidebar silver

Sidebar silver
17
08
Redactie
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
Door Redactie
Categorie: Rechtszaken
Soort:

Rechter zegt: Aanbesteder aansprakelijk voor door opdrachtnemer gestelde schade?

In een Europese openbare aanbestedingsprocedure heeft de Provincie vier percelen gegund aan appellante. Nadat appellante was gestart met de uitvoering van de opdracht, is gebleken dat de in de praktijk gerealiseerde vervoersvolumes sterk achterbleven bij de prognoses. Appellante houdt de Provincie aansprakelijk voor de schade die daardoor voor haar is ontstaan en richt zich thans tegen het vonnis van de rechtbank.

Tekortkoming in de nakoming verplichtingen uit overeenkomst
Appellante verwijt de Provincie in de eerste plaats dat zij is tekortgeschoten in de nakoming van de vervoersovereenkomsten (artikel 6:74 BW) vanwege het niet afnemen van de (aldus niet alleen geprognosticeerde maar ook) overeengekomen vervoersvolumes. Uit het Bestek volgt echter dat de vervoerder rekening diende te houden met sterk fluctuerende vervoersvolumes. Van een verplichting aan de zijde van de Provincie om een bepaald vervoersvolume gerealiseerd te krijgen, blijkt derhalve niet. De omstandigheid dat het door appellante gerealiseerde vervoersvolumes achter zijn gebleven bij de geprognosticeerde vervoersvolumes kan daarom niet worden beschouwd als een tekortkoming van de Provincie in de zin artikel van 6:74 BW. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat partijen, al hebben zij geen overeenstemming kunnen bereiken, vanaf het voorjaar 2013 met elkaar in overleg zijn getreden en daarmee conform het Bestek hebben gehandeld. Het betoog van appellante faalt dan ook.

Onrechtmatige daad
Appellante verwijt de Provincie in de tweede plaats dat zij in strijd met de op haar rustende betamelijkheid (6:162 BW) heeft gehandeld doordat zij een onjuiste opgave heeft gedaan van de vervoersvolumes, althans deze opgave op onzorgvuldige wijze tot stand heeft gebracht. Het hof concludeert dat appellante onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd dat de Provincie onzorgvuldig is geweest bij de totstandkoming van de door haar opgegeven prognoses. Daarbij betrekt het hof ook dat de Provincie wel in algemene zin in het Bestek heeft gewaarschuwd voor dalende volumes.

Aanvullende werking redelijkheid en billijkheid
Appellante heeft in de derde plaats betoogd dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat de ene partij de andere partij in staat stelt het door deze verwachte nut van een overeenkomst te realiseren. Volgens appellante brengt dat mee dat de Provincie de bij appellante als gevolg van het lagere aantal gerealiseerde ritten veroorzaakte schade compenseert. Het hof oordeelt evenals de rechtbank in de onderhavige zaak dat deze stelling in zijn algemeenheid geen steun vindt in het Nederlandse recht. Voorts neemt het hof in aanmerking dat partijen juist onder ogen hebben gezien dat de vervoersvolumes sterk zouden kunnen fluctueren en daarover afspraken hebben gemaakt, die door appellante akkoord zijn bevonden.

Dwaling
Appellante heeft in de vierde plaats vernietiging gevorderd van de vervoersovereenkomsten op grond van dwaling (a) als gevolg van het verstrekken van een onjuiste inlichting door de Provincie of (b) omdat beide partijen zijn uitgegaan van een verkeerde voorstelling van zaken. Dit betoog faalt en ziet er aan voorbij dat niet is komen vast te staan dat de prognoses onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en op onjuiste gegevens berusten. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat geen afnamegarantie is verstrekt. Partijen hebben derhalve reeds voorafgaand aan en in de overeenkomst onderkend dat bij de prijsstelling rekening moest worden gehouden met een scherpe daling van de volumes.

Onvoorziene omstandigheden
Appellante heeft in de vijfde plaats verzocht de vervoersovereenkomst met terugwerkende kracht te ontbinden of te wijzigen op grond van zodanige onvoorzienbare omstandigheden dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de vervoersovereenkomst niet van haar mag worden verlangd (artikel 6:258 BW).

De aanbestedingsdocumenten in casu voorzien niet in een voor elke inschrijver kenbare mogelijkheid om wanneer sprake is van onvoorziene omstandigheden aan de winnaar ( appellante) een financiële tegemoetkoming te doen, hetzij door prijsaanpassing, hetzij in de vorm van schadevergoeding. Naar het oordeel van het hof brengt dat mee dat zelfs wanneer in het onderhavige geval het effect van de door Provincie getroffen maatregelen als onvoorzien zou moeten worden gekwalificeerd, de overeenkomst van partijen geen ruimte laat voor een wijziging daarvan door de rechter. In dat geval staat slechts de weg tot heraanbesteding open.

Overleg
Appellante heeft in de zesde plaats gevorderd dat de Provincie met appellante zal overleggen over de afwijking van meer dan 20% die zich ten aanzien van het perceel Rivierenland heeft voorgedaan.
Gesteld noch gebleken is dat het niet bereiken van een voor beide partijen bevredigend resultaat van eerder overleg een tekortkoming of onzorgvuldig handelen aan de zijde van de Provincie oplevert.

Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat er geen grondslag is voor vergoeding van de door appellante gevorderde structurele en incidentele schade. Daarop stuit ook af de door appellante ingestelde vordering tot vergoeding van deskundigenkosten, nu dit kosten betreft ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, terwijl er geen wettelijke verplichting tot schadevergoeding van de Provincie jegens appellante bestaat.

Dit betreft uitspraak: ECLI:NL:GHARL:2017:5925

Samen met kennisbank VIND Inkoop en Aanbesteding publiceert AanbestedingsCafe.nl elke week een interessante rechtelijke uitspraak in de rubriek ‘Rechter zegt’.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.