Inloggen
Login met InkopersCafé account Account aanmaken

Premium logo's

Premium logo's

Premium partners

Sidebar premium

Sidebar premium

Gold partners

Sidebar gold

Sidebar gold

Silver partners

Sidebar silver

Sidebar silver
12
09
18
Tim Robbe
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
2
Door Tim Robbe
Dossier: Column
Soort:

Reële tarieven? Ten opzichte van wat?

Reële tarieven? Ten opzichte van wat?

Gemeenten die zorg en hulp inkopen in het sociaal domein, moeten daarvoor zogenaamde “reële prijzen” betalen. Dat is onder andere vastgelegd in artikel 2.12 Jeugdwet en artikel 2.6.6 Wmo 2015. Voor de Wmo 2015 gelden nog explicietere regels die zijn vastgelegd in artikel 5.4 Uitvoeringsbesluit.  In dat artikel is opgenomen hoe gemeenten een reële prijs moeten berekenen en welke kostprijselementen daarvan onderdeel moeten uitmaken. 

In de inkooptrajecten waar het misgaat tussen gemeenten en (jeugdhulp)aanbieders of gecertificeerde instellingen, gaat het vrijwel altijd over onenigheid over de prijs. Kijk maar in jurisprudentie en de media. Vooral in de media moeten gemeenten, en meer specifiek ‘de ambtenaren’, het vaak ontgelden. Bestuurders blijken welwillend…

Nu kan ik zelf ook wel eens kritisch zijn op gemeenten, maar ik wil hier toch een lans voor ze breken (en zeker ook voor ‘de ambtenaren’). Aanbieders en gecertificeerde instellingen die in de media (en de rechtszaal) alleen maar roeptoeteren dat het tarief van de gemeente te laag is (zoals berekend door ‘de ambtenaren’) hebben zelf boter op hun hoofd.

De vraag rijst namelijk: ten opzichte van wat is de prijs van gemeenten ‘te laag’?

Een bedrijfseconoom leerde mij ooit het verschil tussen een ‘voorcalculatorische kostprijsberekening’ en een ‘nacalculatorische kostprijsberekening’. Een voorcalculatorische kostprijsberekening is gebaseerd op aannames en gemiddelden. Als die redelijk zijn, is een voorcalculatorische kostprijsberekening dus eigenlijk altijd ‘correct’. Een nacalculatorische kostprijsberekening is gebaseerd op de werkelijke situatie van een onderneming die een bepaalde dienst of een bepaald product levert.

Gemeenten hebben de wettelijke plicht een voorcalculatorische kostprijsberekening te maken en op basis daarvan een reële prijs vast te stellen. Daarbij mogen zij uitgaan van de door henzelf beschreven gewenste dienstverlening en lokale situatie om aannames te doen over de kostprijselementen. Wanneer die aannames dan redelijk zijn, is er ook sprake van een reële prijsstelling.

Als aanbieders en instellingen vervolgens alleen maar roepen dat deze prijsstelling te laag is, is dat onvoldoende om aan te nemen dat de gemeente geen reële prijsstelling hanteert. Ook het verwijzen naar ‘landelijke onderzoeken’ is onvoldoende, omdat deze geen rekening houden met lokale (beleids)verschillen – decentralisatie weet u nog?

De aanbieder of instelling zal moeten aangeven waarom gezien de beschreven dienst en lokale situatie de prijsstelling niet een reële is. De nacalculatorische kostprijsberekening van de aanbieder of instelling is voor deze discussie niet relevant. Dat een bepaalde aanbieder of instelling ‘het niet kan doen’ voor een reële prijsstelling zegt meer over die aanbieder of instelling dan over de gemeente (en ‘de ambtenaren’).

Een goed begin voor een constructieve dialoog zou zijn dat aanbieders en instellingen hun eigen nacalculatorische kostprijsberekening met gemeenten delen vóórdat gemeenten überhaupt gaan rekenen. Het is aan de gemeenten om normatieve uitspraken te doen over kostprijselementen (hoeveel overhead vind ik redelijk? Hoeveel non-productiviteit vind ik redelijk? Et cetera). Als hierdoor de voorcalculatorische kostprijs lager ligt dan de nacalculatorische kostprijs van aanbieder of instelling, kun je op deze elementen het échte gesprek aangaan. Hoe krijg je samen de overhead omlaag en de productiviteit omhoog? Welke oplossingen zijn daarvoor te bedenken waarbij de gemeente kan helpen?

Zijn gemeenten (en ‘de ambtenaren’) bureaucratisch en niet altijd even makkelijk om zaken mee te doen? Natuurlijk! Maar als aanbieder of instelling de strijd voeren in rechtszalen en de media, zonder zelf openheid van zaken te geven of over je kostprijs te willen overleggen, is naar mijn mening niet de weg naar duurzame oplossingen.

 

Tim Robbe
Door Tim Robbe
mr. drs. Tim H.G. Robbe, partner bij Victor Advocaten

Reacties:

  • Hilmar Backer | 12-09-2018 om 13:13

    Dit klinkt natuurlijk leuk, een economische theorie, maar als 20% van de gemeenten niet tot overeenstemming komt is er natuurlijk wel wat aan de hand. En dat komt door te lage tarieven. Kijk ook eens naar de afnemende liquiditeit van GGZ instellingen. Overal hetzelfde plaatje. Oplossing: subsidieer de jeugdzorg en stop met deze idiote semi-marktwerking ideologie.

  • Tim Robbe | 12-09-2018 om 13:23

    Beste Hilmar. Natuurlijk is er wat aan de hand. Dat ontken ik niet. Ik vraag mij echter wel dus af of de tarieven te laag zijn. Ik zie nog steeds instellingen die zonder blikken of blozen 50% overhead normaal vinden. Daarnaast zijn er instellingen die stellen dat tarieven te laag zijn, maar wel elk jaar nog winst maken en een flinke reserve aanhouden. Er is dus inderdaad wat aan de hand. Gemeenten en instellingen zullen echt met elkaar moeten gaan praten over geld en niet alleen over dat wij ‘de inhoud’ noemen. Geld is ook de inhoud namelijk.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.