Inloggen
Login met InkopersCafé account Account aanmaken

Premium logo's

Premium logo's

Premium partners

Sidebar premium

Sidebar premium

Gold partners

Sidebar gold

Sidebar gold

Silver partners

Sidebar silver

Sidebar silver
27
06
Tim Robbe
1 Star2 Stars3 Stars4 Stars5 Stars
14
Door Tim Robbe
Categorie: Column
Soort:

Schaarste bij ideeën over de verdeling van schaarste

Schaarste bij ideeën over de verdeling van schaarste

Wellicht merkte u al op dat een nieuw rechtsgebied zich ontwikkelt. Ik heb het over het zogenaamde ‘verdelingsrecht’, waar het aanbestedingsrecht onderdeel van uitmaakt. Verdelingsrecht gaat over recht van toepassing op de verdeling van schaarse publieke middelen. Er is sprake van schaarse publieke middelen als er meer gegadigden zijn die gebruik willen maken van die middelen dan dat er middelen zijn. Vergunningen kunnen schaars zijn. Subsidies kunnen schaars zijn. Maar ook overheidsopdrachten kunnen schaars zijn. Het verdelingsrecht komt momenteel vooral op door een aantal recente uitspraken van de Raad van State over de verdeling van schaarse vergunningen.

Deze uitspraken, maar ook de conclusies van AG Widdershoven, laten zien waar het verdelingsrecht momenteel staat. In de uitspraken en de conclusies lezen wij namelijk uitgebreide verwijzingen naar en samenvattingen van academische literatuur. Het leidt tot redeneringen en conclusies die ik als jurist prima kan volgen, maar als bestuurskundige niet begrijp.

Het verdelingsrecht begint op weinig meer te lijken dan veredeld aanbestedingsrecht. En het aanbestedingsrecht is nu niet echt creatief waar het gaat om het verdelen van schaarste. Een aanbesteding is altijd een competitieve, transparante procedure waarin alle partijen die gebruik willen maken van de schaarse middelen een kans krijgen om die middelen te verwerven. Wat wij vaak vergeten is dat het op deze manier verdelen van schaarste er maar één van velen is. Deze manier impliceert dat een ‘rechtvaardige’ (dat is wat anders dan een rechtmatige) verdeling tot stand komt als de overheid iedereen maar een gelijke kans geeft. In de rechtsfilosofie heet dit ‘procedurele rechtvaardigheid’ (zie bijvoorbeeld Rawls en Nozick).

Maar er zijn natuurlijk prima andere manieren te bedenken, waarbij je ook kunt beargumenteren dat sprake is van een ‘rechtvaardige’ verdeling van schaarste. Politieke afwegingen kunnen ertoe leiden dat het wenselijk is dat bepaalde partijen of bepaalde groepen in een maatschappij direct middelen krijgen toebedeeld. Er is dan geen sprake van gelijke kansen in een procedure, maar ongelijke behandeling van (politiek gezien) ongelijke gevallen. Een voorbeeld? Wat dacht u van het MKB. Daarover roepen wij al jaren dat deze een betere positie moeten krijgen bij overheidsopdrachten. Als wij dat werkelijk vinden, waarom geven wij deze dan niet direct overheidsopdrachten? Of laten wij bij bepaalde opdrachten alleen MKB meedingen? Je kunt MKB namelijk wel een ‘gelijke kans’ geven in een aanbestedingsprocedure, maar als de startsituatie tussen MKB en grootbedrijf in bepaalde markten al niet gelijk is, dan is zo’n gelijke kans niet zoveel waard. En dat is precies wat wij in de praktijk zien…

Laat voorgaande redenering overigens ook maar eens los op burgerinitiatieven. Waarom zou een burgerinitiatief moeten concurreren met een grootbedrijf om schaarse publieke middelen in de eigen wijk? Ik kan wel een antwoord verzinnen, maar het antwoord is natuurlijk wel gekunsteld.

Ik denk dat betrokken beoefenaars en academici creatiever moeten zijn bij het verder ontwikkelen van het verdelingsrecht (én het aanbestedingsrecht als specialis). Een hele hoop politiek wenselijke doelstellingen zijn niet of veel moeilijker te realiseren met aanbestedingen en op aanbestedingen lijkende procedures. Wij hebben daarnaast in Nederland een prima traditie met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Rechters zijn best in staat om ook besluiten van overheden die schaarste verdelen, waarbij zij geen gebruik maken van aanbesteden, te toetsen op rechtmatigheid.

Tim Robbe
Door Tim Robbe
mr. drs. Tim H.G. Robbe, partner bij Victor Advocaten

Reacties:

  • Kees van de Water | 27-06-2018 om 10:38

    Dit lijkt me ook een vorm van ‘schaarste’:

    “Ik heb het over het zogenaamde ‘verdelingsrecht’, waar het aanbestedingsrecht onderdeel van uitmaakt. Verdelingsrecht gaat over recht van toepassing op de verdeling van schaarse publieke middelen.”

    Dat klopt namelijk niet. Aanbestedingsrecht is zogenoemd ‘secundair EU-recht’, zie bijvoorbeeld Overweging 1 van Richtlijn 2014/24/EU:

    “Wanneer door of namens overheden van de lidstaten overheidsopdrachten worden gegund, moeten de beginselen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) worden geëerbiedigd, met name het vrije verkeer van goederen, de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverlening, alsmede de daarvan afgeleide beginselen, zoals gelijke behandeling, niet-discriminatie, wederzijdse erkenning, evenredigheid en transparantie. Voor overheidsopdrachten met een waarde boven een bepaald drempelbedrag moeten echter bepalingen worden opgesteld die nationale procedures voor aanbestedingen coördineren om te waarborgen dat deze beginselen in de praktijk worden geëerbiedigd en dat overheidsopdrachten worden opengesteld voor mededinging.”

    En het gaat in kwestie niet om ‘middelen’:

    http://keesvandewater.blogspot.com/2017/08/verdelingsprocedure.html

    • Tim Robbe | 27-06-2018 om 14:03

      Ha Kees! Ik snap je punt niet helemaal. Aanbestedingsrecht gaat over het verdelen van schaarse rechten/middelen. Ik heb een opdracht. Er zijn meer partijen die de opdracht willen uitvoeren. Dus is de opdracht schaars. Ik verdeel deze opdrachten met een aanbesteding. Dan is aanbestedingsrecht dus verdelingsrecht. Want dat gaat daar over. Dat aanbestedingsrecht ook secundair EU recht is klopt, maar dan is het nog steeds verdelingsrecht. Gr. Tim

      • Kees van de Water | 27-06-2018 om 14:18

        Beste Tim,

        Het aanbestedingsrecht gaat onder meer over ‘belemmeringen voor het vrije verkeer van diensten en goederen op (te) heffen en dus de belangen (te) beschermen van in een lidstaat gevestigde marktdeelnemers die goederen of diensten aan in een andere lidstaat gevestigde aanbestedende diensten wensen aan te bieden’, ‘het risico uit (te) sluiten dat de aanbestedende diensten bij het plaatsen van welke opdracht ook, de voorkeur geven aan nationale inschrijvers of gegadigden’ en ‘de openstelling voor een onvervalste en zo groot mogelijke mededinging in de lidstaten’.

        Jouw idee stelt (de toepassing van) het aanbestedingsrecht feitelijk afhankelijk van hoeveel ondernemers geïnteresseerd zijn in een opdracht.

        Maar bovenal vind ik, dat je geen rechtsgebieden en rechtsregels mag verzinnen.

        MVG, Kees

  • Tim Robbe | 27-06-2018 om 16:37

    Beste Kees,
    Zie oa hier: https://www.narcis.nl/publication/RecordID/oai%3Atilburguniversity.edu%3Apublications%2F077529bc-36d7-4c83-916e-1a76e4a7d1df. Verdelingsrecht verzin ik niet. Het is echt een rechtsgebied (in ontwikkeling). Volgens mij verzin ik ook geen rechtsregels, maar uit mijn twijfels over de huidige interpretatie van het recht bij de verdeling van schaarse rechten/middelen. Aanbesteden is verdelen van schaarste door mededinging. Dat de EU wetgeving ook andere doelen nastreeft doet niet af aan het feit dat aanbesteden als instrument een verdelingsinstrument is. De EU wetgever besloot dat dit verdelingsinstrument bij schaarse rechten (overheidsopdrachten) boven bepaalde drempels de manier van verdelen moet zijn (mededinging, je schrijft het zelf). Buiten die wetgeving zie ik dat velen ook dan aanbesteden als het moddel voor verdelen van schaarste aanprijzen. Daar stel ik inhoudelijke en juridische vraagtekens bij. Die ik dan overigens ook stel bij de zware nadruk die de EU wetgeving legt op mededinging.
    Mvgr
    TIM

    • Tim Robbe | 28-06-2018 om 08:49

      Ha Jochem. Deze ken ik. En daar is mijn kritiek ook deels op gebaseerd. Mvgr. Tim

      • Kees van de Water | 28-06-2018 om 10:22

        Beste Tim en Jochem,

        ‘Schaarste’, ‘verdeling’, ‘verdelingsinstrument (-mechanisme)’ e.d. is niet relevant in het aanbestedingsrecht. De oude en huidige aanbestedingsrichtlijnen hebben het daar ook niet over. (Het bestaan van) Een overheidsopdracht (met een bepaalde waarde) echter wel.

        Zou dat anders zijn, dan ‘ontkomt’ een overheidsopdracht waar niemand in geïnteresseerd is (AD betaalt te weinig, stelt te zware eisen, geen ‘werkhonger’ e.d.) aan het aanbestedingsrecht. En zo werkt het (spelletje) dan niet. Hoe het wel werkt? Zie daartoe bijv. art. 1 leden 1 en 2 jo. art. 4 Richtlijn 2014/24/EU. Nog los van het gegeven, dat er ook aanbestedende diensten zijn die geen bestuursorgaan zijn, en wat dan te doen met de in het kader van de ‘schaarse publieke rechten’ klaarblijkelijk van toepassing zijnde (‘zelfstandige’ of ‘onzelfstandige’, ‘bestaande’ of ‘nieuwe’) algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

        Zou een overheidsopdracht als een ‘(schaars) publiek recht’ kunnen worden gezien (maar een ‘overeenkomst’ (een meerzijdige privaatrechtelijke rechtshandeling) als een ‘publiek recht’ zien…..? Het ‘recht hebben/verkrijgen’ om een overheidsopdracht uit te voeren…. Of verkrijgt de AD ‘het recht’ dat een ondernemer de overheidsopdracht wil uitvoeren….?), dan veronderstel ik met de Aanbestedingswet 2012 een ‘formeel-wettelijk kader’, in de zin van de AG met zijn: “In de eerste plaats geldt voor een uitsluitend op het nationale ongeschreven recht gebaseerde mededingingsrechtsnorm dat deze moet wijken of kan worden beperkt als en voor zover het formeel-wettelijk kader voor de verlening van de (schaarse) vergunning zelf of het formeel-wettelijk kader van andere vergunningen die voor de realisering van de te vergunnen activiteit relevant zijn, zich tegen de toepassing ervan verzet.” Daar doel ik op met mijn Blog (op het eind). Waardoor voor overheidsopdrachten of ‘schriftelijke overeenkomsten onder bezwarende titel’ discussies over ‘schaarse publieke rechten’ niet relevant, noch interessant zijn. Slechts relevant ter zake dus, de Richtlijn (-en) en de Aanbestedingswet 2012 (en daarop betrekking hebbende jurisprudentie). Volgens mij volgt dat overigens ook duidelijk uit (2e) Conclusie AG 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1847, punten 3.3 t/m 3.7.

        De ‘om-wat-voor-motieven-dan-ook-alles-aanbesteden-beweging’ in Nederland geef ik mee, dat in dit soort discussies, ‘gelijke kansen’ feitelijk (en hoogstens) ziet op ‘gelijke spelregels’. En dat is (echt) wat anders, dan dat iedereen hoe dan ook ‘het recht’ heeft of zou moeten hebben op (een) overheidsopdracht (-en). Hetgeen trouwens ook niet volgt uit de aanbestedingsrichtlijnen en de betreffende jurisprudentie. Voor je het weet ontstaat in de praktijk discussie omtrent de toepassing en inhoud van uitsluitingsgronden en geschiktheidseisen, het beginsel van contracteringsvrijheid, de concrete inkoopbehoefte etc. etc…….

        Tot slot en terug naar het begin, het past naar mijn mening niet om te schrijven, dat het aanbestedingsrecht onderdeel uitmaakt van een rechtsgebied in ontwikkeling. Het aanbestedingsrecht bestaat bijv. al (veel) langer, en dus is een en ander verzonnen.

        MVG, Kees

  • Tim Robbe | 28-06-2018 om 18:13

    Hoi Kees,
    Ik snap je punt. Maar ik denk dat we volledig langs elkaar heen praten. Als er sprake is van een overheidsopdracht, dan is sprake van aanbestedingsrecht. Als geen sprake is van een overheidsopdracht, dan is geen sprake van aanbestedingsrecht. Als aanbestedingsrecht van toepassing is, dan moeten wij kijken naar Aanbestedingswet en EU Richtlijnen. Allemaal klare taal. Ook niets waar ik het niet mee eens ben. Maar het is allemaal ‘besides my point’. Als de overheid een overheidsopdracht vergeeft, dan bepaalt de overheid wie dat mag doen. In theorie kan de overheid kiezen voor algehele mededinging (openbare aanbesteding), beperkte mededinging (onderhandse aanbesteding) onder enkele aanbieders, geen mededinging (iedereen mag uitvoeren) of direct kiezen van een opdrachtnemer (geen aanbesteding, exclusief recht). In de praktijk kan dat niet, dat is jouw punt. Immers, als sprake is van een overheidsopdracht dan zal de overheid die moeten vergeven conform aanbestedingswet (tenzij sprake is van een uitzondering). Daarom is direct kiezen vaak geblokkeerd. Het betekent ook dat als geen sprake is van een overheidsopdracht, maar iedereen mag meedoen er geen sprake is van een overheidsopdracht in de zin van de aanbestedingswet (zie Falk en Tirkkonen). Ook alleen in dat geval is geen sprake van schaarste, immers alle ondernemers die willen, mogen de opdracht uitvoeren. In de andere drie gevallen is wel sprake van schaarste: uiteindelijk is het maar een bepekt aantal of een aanbieder dat de opdracht mag uitvoeren (uit een groter aantal van aanbieders). Ergo, aanbesteden is een manier om schaarse rechten/middelen te verdelen. Dat het aanbestedingsrecht al veel langer bestaat dan het verdelingsrecht, maakt niet dat het daarvan geen onderdeel kan uitmaken. Immers, juist in het verdelingsrecht waar het vergunningen en subsidies betreft kijkt men juist (te) vaak naar aanbestedingsrecht voor oplossingen. Dit omdat de vraagstukken gelijk zijn: hoe verdeel je rechtvaardig schaarse rechten/middelen. De EU wetgever heeft daarbij de beperkte keuze gemaakt om volledige mededinging (gelijke kansen voor iedereen) voorop te stellen boven alle andere manieren. En dat dreigt nu ook bij vergunningen en subsidies te gebeuren. En daar zet ik vraagtekens bij. Er is verder niets verzonnen.

    Mvgr
    Tim

  • Kees van de Water | 28-06-2018 om 21:43

    Beste Tim,

    Kijk je naar de Conclusies van de betreffende AG, dan lijkt hij het vraagstuk van de verdeling van ‘schaarse publieke rechten’ mede op te hangen aan (een uitleg van) r.o. 110 van HvJEG 29 april 2004 in zaak C-496/99 P (Succhi di Frutta):

    “Het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan een overheidsopdracht deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van het in hun offertes gedane voorstel dezelfde kansen krijgen. Het betekent derhalve dat voor deze offertes voor alle mededingers dezelfde voorwaarden moeten gelden.”

    De praktijk denkt dan ook snel aan artikel 1.8 Aanbestedingswet 2012: “Een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf behandelt ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze.” Ter zake dat artikel is relevant, Tweede Kamer, vergaderjaar 2009-2010, 32 440, nr. 3, pag. 51 (bij toen nog artikel 1.5 Voorstel van wet):

    “Dit artikel bevat zowel het non-discriminatiebeginsel als het gelijkheidsbeginsel. Het artikel implementeert artikel 2 van richtlijn nr. 2004/18/EG en artikel 10 van richtlijn nr. 2004/17/EG. Deze twee beginselen zijn in hetzelfde artikel opgenomen omdat de beginselen nauw aan elkaar verwant zijn. Het non-discriminatiebeginsel verbiedt onderscheid op grond van nationaliteit. Dit beginsel is eveneens neergelegd in artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

    Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden. In het arrest Succhi di Frutta (HvJEG van 29 april 2004, Succhi di Frutta, zaak C-496/99, Jur. 2004, blz. I-03801) stelt het HvJEG dat het gelijkheidsbeginsel beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging te bevorderen waarbij alle inschrijvers dezelfde kansen krijgen.”

    Een juiste lezing en duiding van de (gehele context van alle) rechtsoverwegingen 106 t/m 129 van Succhi di Frutta leidt er toe, dat de betreffende ‘dezelfde kansen’ uit rechtsoverweging 110, dus letterlijk geen ‘gelijke kansen’ betreffen. En ook duidelijk betrekking hebben op (slechts) ‘inschrijvers’, hetgeen (dus) wat anders is dan ‘ondernemers’. En verder betrekking hebben op (voor alle inschrijvers) ‘dezelfde inschrijvingsvoorwaarden’.

    Dat een overheidsopdracht op basis van een en ander, w.o. het gelijkheidsbeginsel, ‘verdeeld’ zou moeten worden onder (alle) ‘ondernemers’ (in de markt) zie ik dus niet zitten. Ik sluit niet uit, dat het verschil tussen een ‘ondernemer’ en een ‘inschrijver’ (ook) niet voor iedereen duidelijk is. En ik zie ook niet zitten (jouw): “De EU wetgever heeft daarbij de beperkte keuze gemaakt om volledige mededinging (gelijke kansen voor iedereen) voorop te stellen boven alle andere manieren.” Immers, wat de EU wetgever heeft gedaan, blijkt bijvoorbeeld uit de rechtsoverwegingen 29 van C-9/17 en 38-39 van C-337/06. En daaruit volgt (ook) geen ‘gelijke kansen voor iedereen’.

    Het aanbestedingsrecht gaat niet uit van, of over, ‘gelijke kansen’. Het aanbestedingsrecht gaat ook niet uit van het ‘formele gelijkheidsbeginsel’. Immers, niet alle aanbestedende diensten zijn bestuursorgaan. Er is (ook) geen enkele reden en/of noodzaak om het aanbestedingsrecht in de sfeer van (de) ‘schaarste’ en/of de (discussie omtrent de verdeling van) ‘schaarse publieke rechten’ en/of de ‘gelijke kansen’ te (be-) trekken.

    Bij bepaalde subsidies en vergunningen geldt blijkbaar (bestuursrechtelijk) een rechtsnorm die gebaseerd is op het (formele) ‘gelijkheidsbeginsel dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen’. Dat is zondermeer een ander ‘gelijkheidsbeginsel’ dan het aanbestedingsrechtelijke gelijkheidsbeginsel uit artikel 1.8 Aanbestedingswet 2012 en Succhi di Frutta. Dat aanbestedingsrechtelijke gelijkheidsbeginsel bevat immers (zie hierboven) geen ‘verplichting om mededingingsruimte te bieden’ in de zin van het (formele) ‘gelijkheidsbeginsel dat in deze context strekt tot het bieden van gelijke kansen’.

    Waarom zou het aanbestedingsrecht dan voor ‘oplossingen’ (moeten/kunnen) zorgen? Dat is toch een geheel ander rechtsgebied dan het bestuursrecht, en alleen maar omdat jij schrijft/denkt: “Dit omdat de vraagstukken gelijk zijn: hoe verdeel je rechtvaardig schaarse rechten/middelen.”? Maar, dat (‘verdelen’ e.d.) staat toch nergens in een wet of een Richtlijn o.i.d?

    Ik moet (trouwens) nog zien, dat (eventuele) ‘openbare aanbestedingsprocedures’ ter zake (bepaalde schaarse) vergunningen en subsidies hetzelfde (zullen) zijn, als de (nu bekende) ‘openbare aanbestedingsprocedures’ voor ‘werken’, ‘leveringen’ en ‘diensten’. Juist omdat (dan) geen overheidsopdracht wordt aanbesteed, en de Aanbestedingswet dus ook niet onverkort gevolgd kan worden (want die is (m.n.) voor overheidsopdrachten geschreven).

    Misschien is de ‘aanbestedingsprocedure’ volgens de Aanbestedingswet 2012 als ‘verdelingsprocedure’ (juist) daarom (al) geen goed idee? Of slechts een theoretisch idee van mensen die nog nooit een aanbestedingsprocedure volgens de Aanbestedingswet 2012 hebben uitgevoerd?

    MVG, Kees

    • Tim Robbe | 28-06-2018 om 22:05

      Ha Kees,
      Wat je schrijft over het gelijkheidsbeginsel in Europees aanbestedingsrechtelijke context is zondermeer waar en juist. Ik sluit mij daarbij aan. Wél blijf ik erbij dat de EU wetgever volledige mededinging als uitgangspunt neemt bij het antwoord op de vraag hoe de overheid (ook niet bestuursorganen meegerekend) middelen/rechten moet verdelen. Het gelijkheidsbeginsel waar jij aan refereert is bezien vanuit zuiver aanbestedingsrechtelijk perspectief. We ontkomen er echter niet aan (je schreef het zelf) de EU wetgever voorop stelt dat ondernemers vrije kansen moeten krijgen mee te dingen naar overheidsopdrachten. Dat is een doel van de wetgeving. Juist door ook in het “verdelingsrecht” diezelfde doelstelling in te lezen in het formele gelijkheidsbeginsel begaan rechters en academici nmm een faux pas. Ook daar waar een wetgever nog geen besluit heeft genomen hoe een opdracht (buiten de reikwijdte van de wetgeving), subsidie of vergunning te verdelen, hoort een overheid zelf daarover nog een gemotiveerd besluit te kunnen nemen. Inclusief het besluit geen gebruik te maken van een competitieve procedure. We zien nu een ontwikkeling dat voor schaarse vergunningen en subsidies ook altijd een “openbare aanbesteding” moet worden gevolgd (althans een procedure die daarop lijkt).

      Ik denk dat we dat beide toch een vreemde redenering vinden?

      Mvgr
      Tim

  • Jochem Berns | 28-06-2018 om 22:20

    Ik leg het zo uit:
    Vergunningen voor uitbaters kansspelen en subsidieverleners, overig overheidshandelen zonder bezwarende titel, en met grensoverschrijdend effect vallen onder primair verdragsrechtelijke vrij verkeer regels , non- discriminatiebeginsel, ( negatieve integratie). Daarnaast ook sec. recht Dienstenrichtlijn van toepassing. Dan de zuivere interne situatie. Begrijp dat hier sprake is van een soort van “spontane harmonisatie” als ik onderstaande passage lees, maar ik zou die niet toepassen als nog zoveel rechtsonzekerheid bestaat op communautair niveau:

    Citaat:
    “Als geen sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang en het Unie- recht dus niet van toepassing is, kan ’vrijwillige’ adoptie van een Unierechtelijke verplichting plaatsvinden als een lidstaat deze communautaire verplichting een mooie aanvulling acht, of om te voorkomen dat in de nationale rechtsorde twee varianten van dezelfde verplichting moeten worden toegepast. Gelet op de hiervoor beschreven doelstellingen van de transparantieverplichting, is verdedigbaar dat de transparantieverplichting een dergelijke aanvulling van het Nederlandse bestuursrecht zou kunnen zijn”

    • Tim Robbe | 28-06-2018 om 22:30

      Ha Jochem,

      Precies! En het is ook helemaal niet wenselijk. Ook als je kijkt naar tot hoeveel problemen aanbestedingen in veel sectoren leiden omdat het andere manieren van verdelen voor de politiek blokkeert. Dat moeten we gewoon niet willen.

      Hgr
      Tim

  • Kees van de Water | 29-06-2018 om 07:38

    Beste Tim en Jochem,

    Dat een ‘aanbestedingsprocedure’ in het voorkomend geval een ‘verdelingsprocedure’ is, betekent niet dat het ‘aanbestedingsrecht’ in de basis ‘verdelingsprocedurerecht’ is. Dat miskent immers oorsprong en geschiedenis van het aanbestedingsrecht.

    Voor dat laatste, zie bijvoorbeeld Richtlijn 71/305/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de coördinatie van de procedure voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken:

    […]
    Overwegende dat bij de gelijktijdige verwezenlijking van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten op het gebied van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken in de Lid-Staten voor rekening van de Staat, van de territoriale en van de andere publiekrechtelijke lichamen, niet alleen de beperkingen moeten worden opgeheven, maar dat tevens de nationale procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken gecoördineerd moeten worden;
    […]
    Overwegende dat opdrachten voor de uitvoering van werken van minder dan 1.000.000 rekeneenheden voorlopig buiten de mededinging kunnen worden gelaten zoals deze in deze richtlijn is geregeld en dat er in verband daarmee bepaald dient te worden dat de coördinatiemaatregelen hierop niet van toepassing zullen zijn; dat de Commissie, op grond van de opgedane ervaring, later aan de Raad een nieuw voorstel voor een richtlijn zal voorleggen tot verlaging van het minimumbedrag vanaf hetwelk de coördinatiemaatregelen van toepassing zullen zijn op overheidsopdrachten voor de uitvoering van werken;
    […]

    En voor meer: http://keesvandewater.blogspot.com/2017/08/niet-gedaan.html

    Juist door de idee achter de Europese aanbestedingsrichtlijnen niet te begrijpen, krijg je dat mensen ook onder de drempel de betreffende aanbestedingsregels zijn gaan toepassen. De ‘vrijwillige adoptie’……. Bijvoorbeeld vanwege eigen ideeën omtrent ‘gelijke kansen’, ‘vrije kansen’, ‘verdelen’, ‘volledige mededinging’, de ‘transparantieverplichting’, het ‘transparantiebeginsel’ etc. etc. We zijn er blij mee…….

    http://keesvandewater.blogspot.com/2017/03/denkend-aan.html

  • Jochem Berns | 29-06-2018 om 11:56

    Divide et impera
    ——-
    Dat gedicht Kees, complimenten!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.