Magnifying glass Close

Wie selecteert de hulp van mijn zoon?

Afgelopen woensdag sprak ik in bij de gemeenteraad Nieuwegein. Als vader van een autistische zoon van 6 jaar oud maak ik mij grote zorgen. Hij zit nu op een plek waar hij thuishoort. Hij maakt elke dag zorg met zijn hulpverleners. En hij maakt nog elke dag stappen in zijn ontwikkeling. De gemeente kan nu roet in het eten gaan gooien. Mijn zoon zit in het overgangsrecht. Daarom krijgt hij de zorg van de organisatie waar hij zit. Die organisatie heeft echter geen contract met de gemeente, want naast mijn zoon zit er nog maar één ander kind uit Nieuwegein bij de organisatie in zorg. De vraag is nu of deze organisatie wel een contract krijgt vanaf 1 januari 2016. Gemeenten zie ik namelijk in mijn adviespraktijk worstelen met een dilemma. Dat dilemma bestaat uit de keuze voor selectieve zorginkoop enerzijds (beperken aanbod) of de keuze voor volledige keuzevrijheid (geen beperking op aanbod). Welke keuze moeten zij maken in dit dilemma? Mijn antwoord is (natuurlijk) te gaan voor volledige keuzevrijheid, in ieder geval voor het grootste deel van de jeugdzorg. Ik heb daar drie argumenten voor. Ten eerste is de decentralisatie bedoeld voor meer maatwerk richting ouders en kinderen, niet richting gemeenten. Ten tweede komt innovatie en maatwerk alleen tot stand als je de zorggemeenschap vrij laat zichzelf te ontwikkelen. Tot slot bestaan er voldoende andere manieren om de kosten van de jeugdzorg te beheersen dan via selectieve zorginkoop.

De decentralisatie is bedoeld voor meer maatwerk richting ouders en kinderen, niet richting gemeenten. De reden dat de decentralisaties zijn ingezet, ook voor jeugdzorg, is dat gemeenten beter kunnen bepalen wat nodig is, omdat zij dichter bij de burger zijn georganiseerd. Dat zou dan tot meer maatwerk en goedkopere zorg moeten leiden. Omdat ouders en kinderen uniek zijn in hun zorgbehoefte, is een breed aanbod aan zorg en zorgorganisaties nodig om werkelijk maatwerk te kunnen bieden. Niet elk autistisch kind bereikt dezelfde resultaten met dezelfde methodiek bij dezelfde aanbieder. Niet elk pleeggezin past bij een kind met opvoedingsproblemen. Niet elke organisatie is erop toegerust goede diagnoses te stellen bij kinderen met borderline uit Christelijke gezinnen. En ga zo maar door. Om maatwerk te kunnen leveren voor wat betreft de uniciteit aan de vraagkant is bij voorbaat een selectieve zorginkoop door gemeenten aan de aanbodzijde een faux pas. De zoektocht voor gemeenten moet niet zijn welke aanbieders het beste passen bij hun administratie, beleid en uitgangspunten. Gemeenten moeten de zoektocht van ouders, kinderen en aanbieders zo veel mogelijk faciliteren en daar hun organisatie op afstemmen.

Innovatie en maatwerk komt alleen tot stand als je de zorggemeenschap vrij laat zich ontwikkelen. Zoals de zorgvraag uniek is op microniveau, zo ontwikkelt deze zich ook nog eens (vaak onvoorspelbaar) op zowel op micro- als op macroniveau. Selectieve zorginkoop zet het aanbod “vast” en daarmee ook (voor een groot deel) de expertise en oplossingen die inzetbaar zijn. Buurtzorg bleef in de thuiszorg lang buiten schot, omdat gemeenten de thuiszorg hadden aanbesteed. Zij konden noch Buurtzorg als aanbieder in lopende contracten toelaten, noch de “nieuwe” manier van werken toelaten. Met de gecontracteerde organisaties sprak zij namelijk een bepaalde manier van werken af. Wijzigen betekende wijziging van de opdracht. En dat betekende opnieuw aanbesteden. Kortom, om maatwerk te kunnen blijven leveren, maar ook om innovaties in het sociaal domein snel te kunnen incorporeren in het aanbod is ook dan selectieve zorginkoop door gemeenten een faux pas. Innovatie en maatwerk krijgen geen vorm in “strategische partnerschappen” tussen gemeenten en een beperkt aantal zorgorganisaties, maar in het sociale domein zelf. Tussen ouders, kinderen en hun hulpverleners. Gemeenten moeten ook dat faciliteren.

Er bestaan voldoende andere manieren om de kosten van de jeugdzorg te beheersen dan via selectieve zorginkoop. Selectieve zorginkoop is vaak een antwoord op de vraag: hoe houden we de kosten beheersbaar? Tussen selectieve zorginkoop en het beheersbaar houden van kosten bestaat echter helemaal niet noodzakelijkerwijs een causaal verband. Zoals hiervoor aangegeven leidt het niet tot (beter) maatwerk en innovatie, wat zelfs een signaal is voor het tegengestelde. Maakt het de zorg juist niet duurder? De gemeente schuift bij selectieve zorginkoop de kosten van zorg gewoon door naar de gemeenschap. Zij hoeft maar een paar organisaties te managen en meet zo (makkelijker) geboekte successen. Problemen in de gemeenschap zijn dan “neveneffecten”, maar die kosten de gemeenschap geld. En niet de gemeente. Het alternatief is natuurlijk gewoon als gemeente de kosten van het beheersen van een complex systeem als jeugdzorg voor eigen rekening nemen. Waardoor de gemeenschap juist minder kosten maakt. Door bijvoorbeeld met “rolling forecasting” te gaan werken is ook gaandeweg de uitvoering zichtbaar hoe de financiën verlopen. En kan, mits de inkoop voldoende flexibel is, ook met 20, 90 of 200 organisaties snel schakeling plaatsvinden om zaken betaalbaar te houden.

Gemeenten staan voor een dilemma in de jeugdzorg: selectief zorg inkopen of volledige keuzevrijheid bieden aan ouders en kinderen? Alleen volledige keuzevrijheid bieden aan ouders en kinderen maakt echter dat zij maatwerk en innovatie kunnen garanderen. De doelstellingen van de decentralisatie van de jeugdzorg. Selectieve zorginkoop is dan een faux pas. Om de financiën van een systeem beheersbaar te houden waarin vrije keuze van ouders en kinderen geldt, zijn bovendien alternatieven aanwezig voor selectieve zorginkoop.

Partner van Aanbestedingscafé
Partner van Aanbestedingscafé

Reacties (2)

5 mei 2015 11:00 uur

De zoektocht voor gemeenten moet niet zijn welke aanbieders het beste passen bij hun administratie, beleid en uitgangspunten. Gemeenten moeten de zoektocht van ouders, kinderen en aanbieders zo veel mogelijk faciliteren en daar hun organisatie op afstemmen. Heel goed en duidelijk geformuleerd. Volledig mee eens! Theo van der Linden

4 mei 2015 16:48 uur

Heel herkenbaar. De vraag is of de meerderheid van de Nederlanders begrijpt wat de keuzemogelijkheden zijn en op basis van dat begrip een logische keuze maakt. De beslissers zijn in goedbedoelde leken. Wellicht is het einde van de verzorgingsstaat aanstaande. Er zijn ongeveer 250.000 mensen in Nederland die een verwant hebben met een objectief vastgestelde en geregistreerde verstandelijke beperking. Er zijn ongeveer 7 miljoen mensen in Nederland die dat niet hebben. Zij die oren hebben, hore wat de Geest tegen de gemeente zegt.

Partner van Aanbestedingscafé
Sluiten

Inloggen met

of met e-mailadres